⛔ Verbos de detención
Español
Neerlandés
- atascarse
- --
- bloquear
- --
- detener
- --
- detenerse (parar)
- --
- evitar
- (ella no pudo evitar reírse) ze kon haar lachen niet in houden • (lo siento estoy tan nervioso, no puedo ~lo) sorry, ik ben zo zenuwachtig, ik kan er /dër/ niets aan doen
- impedir
- voorkomen, verhinderen +
- limitar
- --
- parar (vi: dejar de moverse)
- stoppen [stop]
- quedarse (en lugar etc)
- blijven [blijf] • (~ en casa) thuisblijven (sep) • (me quedo simplemente en casa) ik blijf gewoon thuis • (no seas hoy una persona que se queda en casa) wees vandaag niet iemand die thuisblijft
- restringir
- --